★ heeft mij niet overtuigd
★★ niet slecht
★★★ goed
★★★★ een aanrader
★★★★★ een meesterwerkje

donderdag 23 december 2010

Romans in beeld



Eindejaarstijd, lijstjestijd. Niet bijster origineel, maar we gaan het toch doen. 
Alleen zal mijn lijstje niet echt over de oogst van 2010 gaan. Het is gewoon een gelegenheid om mijn favoriete grafische romans of beter gezegd, mijn favoriete tekenaars/auteurs op een rijtje te zetten.

Dick Matena
Met stip op nummer 1


Matena's beeldroman Het dwaallicht is een van de schatten die ik koester in mijn bibliotheek. Iedere keer geniet ik weer van de sfeer die de beelden in perfecte samenspraak met de tekst van Elsschot oproepen. Een sfeer van gelatenheid, want de missie van Laarmans is van bij het begin gedoemd te mislukken. De zoektocht naar Maria van Dam is niet anders dan het najagen van een onbereikbare droom. Er is nauwelijks actie. En het decor is al even weinig spectaculair. Veel krijg je van de stad niet te zien. Matena zoomt meestal in op de personages. Die kijken niet echt om zich heen. De regen sluit hen op in hun eigen kringetje. Matena’s koloriet past hier zeer goed bij. De kunstenaar werkt het liefst met so(m)bere kleuren, grijs of bruingrijs.

Ook voor De avonden van Reve werkt die stijl wonderwel. Matena, die er een erezaak van maakt de tekst van de oorspronkelijke auteurs integraal weer te geven, heeft zich slechts eenmaal gewaagd aan kleuren voor zijn verstripping van Kort Amerikaans van Jan Wolkers.

Jacques Tardi

Nog zo’n grote meneer is Jacques Tardi. Dankzij hem heb ik Céline’s Reis naar het einde van de nacht gelezen. Zware kost, maar best verteerbaar in Tardi's versie. Boeiend vond ik ook De stem van het volk over de Franse commune in 1871 naar een roman van Jean Vautrin. Maar Tardi doet meer dan het werk van anderen verstrippen. Hij is ook groot in werk waar hij zowel het scenario als de tekeningen verzorgt zoals De loopgravenoorlog 1914-1918.


Joe Sacco


Bijzonder origineel zijn ook de journalistieke reportages van Joe Sacco, Onder Palestijnen. De intifada in beeld en Fixer. Een verhaal uit Sarajevo.  Zijn tekenstijl herken je uit de duizend. Ongelooflijk hoeveel informatie Sacco in zijn tekeningen stopt. Deze strips vragen wel wat leesinspanning.


Art Spiegelman


Maus van Spiegelman doet al wat ouder aan, maar Spiegelman is dan ook één van de pioniers van het genre. Maus gaat over de strijd van Spiegelmans vader om als Poolse Jood te overleven tijdens de Holocaust. In deze graphic novel worden alle mensen als dieren voorgesteld: zo zijn de Joden muizen en de Duitsers katten. Je houdt het niet voor mogelijk dat een zwaar en beladen onderwerp als de holocaust in een strip kan behandeld worden. Maar het werkt: de wat knullig getekende figuurtjes palmen je in en het verhaal mist zijn impact niet.


Voor wie een vollediger overzicht wil van de beste grafische romans:
http://www.stichtingbeeldverhaal.nl/112/leeslijst-allerbeste-grafische-romans.htm











donderdag 16 december 2010



Zwanenroof van Elizabeth Kostova

Deze tweede roman van Kostova speelt zich helemaal af in schilderskringen. De plot heeft wat van een speurdersroman, zonder dat er een conventioneel speurderstype aan te pas komt. Een psychiater krijgt op een dag een vreemde patiënt onder zijn hoede: de kunstschilder Robert Oliver heeft met een mes uitgehaald naar een schilderij in de National Gallery in Washington. De man heeft duidelijk psychische problemen. Meer dan een jaar verblijft hij in de privé-kliniek van Dr Marlowe. Marlowe, die zelf ook schildert in zijn vrije tijd, is geïntrigeerd door deze vreemde man die de hele tijd blijft zwijgen en steeds dezelfde vrouwenfiguur tekent.  Waarom is Oliver zo geobsedeerd door deze vrouw? Wie is deze vrouw? Waarom wilde hij een schilderij te lijf gaan? Hij gaat op zoek naar antwoorden bij de ex-vrouw en de minnares van Oliver en komt in de zoektocht ook zichzelf tegen. Ondertussen onderbreekt de auteur het verhaal regelmatig met persoonlijke brieven van een getalenteerde jonge schilderes uit de 19de eeuw.  Geleidelijk wordt het verband duidelijk en de brieven zijn eigenlijk het interessantste gedeelte van de roman, ook al omdat ze een idee geven van hoe het was om als jonge vrouw  in de 19de eeuw talent te hebben in een mannenmaatschappij. Het wereldje van de Franse impressionisten komt ook goed uit de verf.
Ik heb deze roman van meer dan 500 bladzijden in een recordtempo uitgelezen. Zeggen dat ik er niets in vond, zou dus wat flauw zijn. Waarom kan ik dan niet echt enthousiast zijn? Het verhaal is anders kunstig genoeg opgebouwd met drie vertellers en de brieven ertussendoor. Of is dat juist zijn zwakte? De drie vertellers uit de nu-plot kunnen in elk geval niet op tegen de kracht van de stemmen uit de 19de-eeuwse briefwisseling en vertragen misschien onnodig het verhaal. Zeker de inbreng van de verteller/psychiater loste niet alle verwachtingen in: de duiding van de gestoorde Oliver blijft nogal aan de magere kant. Het thema van de obsessie raakte wat ondergesneeuwd onder de romantische verzuchtingen van deze verteller. Ik heb wel genoten van de beschrijvingen en verwijzingen naar bekende schilderijen.  En Kostova heeft wel degelijk vakmanschap, zeker als ze de historische toer op gaat en net als in De historicus zal het wel dat vleugje geschiedenis zijn dat mij uiteindelijk in zijn ban heeft gehouden.  
★★☆☆☆

donderdag 9 december 2010

Malocchio.



Malocchio van Geerten Meijsing.
Een Toscaanse jeugd.

De zoveelste Italiëroman, hoor ik je denken?
Ja en neen. De roman wil zeker geen lofzang zijn op ‘la bella Italia’. Op de eerste plaats is het een roman waarin de dochter-vaderrelatie centraal staat. De ik-figuur is een schrijver die na het vertrek van zijn vriendin zijn jonge dochter zelf probeert op te voeden in Toscane, waar hij een vervallen huis huurt van een norse huisbaas/buurman.  Chiara is een vroegwijs, eigenzinnig kind, die haar vader en haar omgeving weet te manipuleren. Haar vader noemt haar wel eens Malocchio, het ’boze oog’. Als Chiara 12 is verlaat ook zij hem om in Amsterdam te gaan studeren.
En Toscane en de Italian way of life mogen dan al helemaal verweven zijn met het verhaal en de personages, dat gebeurt niet op een platte manier: van in het begin is het beeld dat de schrijver oproept genuanceerd.  Al heel vroeg in  het verhaal lees je dat er ‘van dat mooie Toscaanse landschap niets meer te zien was, als je er eenmaal in verdwenen was’. Over het klimaat: ‘verschroeide aarde in de zomer met zinderende dorst, en winters waar niet tegenop te stoken valt.’ Bovendien wonen de ‘maledetti Toscani’ er, ‘eenkennig, arrogant, zelfingenomen en vol vreemdelingenhaat’. Niet direct iets om in een reclamespotje te zetten. Maar enkele regels verder zingt hij de lof van de olie en het brood in Lucca. Alleen in Lucca maken ze focaccia die de naam verdient. Op elke pagina wemelt het van de Italiaanse uitdrukkingen en het boek staat vol weetjes, die dan weer wel zo uit een reisgids zouden kunnen komen.  Het Italiëgevoel is  echt dubbel in deze roman.
Naarmate het verhaal vordert verliest de ik-figuur zijn greep op het leven: zijn ruzies met de buurman worden grimmiger,  het wordt steeds duidelijker dat het niets wordt met de lange stoet van vriendinnen die de revue en zijn bed passeren en als hij op het eind alleen achterblijft zonder Chiara, kijkt hij naar Toscane zoals men naar het verloren paradijs  kijkt.
En zo is deze roman die zich aankondigde als een roman over het kind eigenlijk de roman van de vader geworden.
Meeslepend geschreven, met af en toe een bespiegeling om bij stil te staan, zonder dat het boek al te nadrukkelijk de filosofische toer opgaat. De smaak van Italië krijg je er zo bij. Om nog eens te herlezen.
★★☆☆☆

donderdag 2 december 2010


Congo. Een geschiedenis. David Van Reybrouck.

Dit boek lag al een hele tijd op mijn nachtkastje. Waarom het nu pas in deze blog terechtkomt, heeft alles met het genre en de 600 pagina's te maken. Ondertussen heeft het al drie prijzen gekregen en elk tijdschrift of medium dat zichzelf respecteert heeft er al lovend over geschreven. Ik kan daar weinig nieuws aan toevoegen. Maar als leeservaring kan het wel tellen!
De inleiding was een aangename verrassing. Nergens ging ze met haar 30 bladzijden tegenstaan,  je leest er zo door.
En op datzelfde elan ga je door, vele hoofdstukken verder, van de prekoloniale periode tot Stanley en Leopold II tot aan de Eerste Wereldoorlog. Weetjes houden je interesse gaande, en de fragmenten waarin de auteur hedendaagse getuigen aan het woord laat, maken dat de geschiedenis leeft. Een bonus voor het verhaal zijn de gesprekken met zijn kroongetuige Etienne Nkasi, de man op de cover. Nog zelden zo'n  indringende cover gezien trouwens, dat portret van Stephan Vanfleteren van de oude Nkasi met zijn dikke brilglazen en zwarte tropenhelm.
De periode tot de onafhankelijkheid kon mij minder boeien: pas toen de namen Lumumba, Kasavubu en Tshombé  opdoken raakte ik weer betrokken bij de geschiedenis. Ik kende hun namen van kinds af aan en begon nu pas te verstaan waarom mijn ouders zo’n uitgesproken mening over deze kopstukken hadden. 



Vanaf de putsch van Mobutu kon ik 
de beschrijving van het nieuwe Zaïre,  een b
ureaucratie zonder staat, waarin corruptie een manier van overleven was geworden, h
et mediagenieke beeld van de ‘de chef’, piekfijn uitgedost in abacost (een soort Afrikaans mao-pak) en luipaardmuts makkelijk terugkoppelen aan mijn eigen herinneringen aan de journaals uit die tijd. 



Uit die tijd stamt ook de verwijzing naar het 
fictieve grondwetsartikel 
Article 15 of  "trek je plan". 
En dan komen de eindeloze conflicten tussen Hutu’s en Tutsi’s, de Rwanda-kwestie, de genocide(s)… de Kabila’s, eerst Laurent en nu zoon  Joseph. Ik geef toe dat ik het toen bijna opgegeven heb: je verdwaalt gewoonweg hopeloos in de massa afkortingen van weer een privé-militie van een of andere rebellenleider. En hoewel niemand, Kabila nog het minst, er zich erg druk meer om lijkt te maken, gaat het geweld in de grensprovincies van Congo door tot vandaag.



Het klinkt allemaal erg deprimerend, maar op een vreemde manier is deprimerend niet wat bij mij zal overblijven na lectuur van deze dikke turf. Misschien is het laatste hoofdstuk van het boek daar niet vreemd aan: Van Reybrouck  gaat poolshoogte nemen in Guangzhou, een erg liberale handelsstad in China, waar honderden Congolezen zich komen bevoorraden met allerlei goedkope spullen die ze dan thuis, vooral in Kinshasa, voor het viervoudige proberen te verpatsen. De containertrafiek floreert.  Heel veel vrouwen hebben zich zo een zelfstandiger leven verschaft. Het einde vind ik dan ook een opsteker:
Maar ik zag hen lopen, nog steeds opgewekt, zichtbaar trots op hun voorbije reis. Ik zag de blonde haren van hun pruiken opveren bij elke stap die ze zetten.  Ik zag hoe de wind enkele plukjes verwoei. En terwijl ze gezwind over het verbrokkelde asfalt in de richting van hun thuiskomst stapten, zag ik de labels aan hun mouw flapperen en tollen in de ochtendlucht, dartel en speels, alsof er iets te vieren viel.
Een hartverwarmend beeld, net als de herinnering aan Nkasi, die hem bij hun eerste ontmoeting een tros banaantjes had gegeven. ‘Neem maar, eet maar.’ Zo’n warm gebaar, in een land dat zoveel vaker in het nieuws komt met zijn corruptie dan met zijn generositeit.'
★★★★☆